Vul en verlos.

Zijn we als mens niet ons hele leven bezig met bang zijn? Het ontwijken van pijn? Het zijn gesprekken die me intrigeren. Vooral als we, laat op de avond, het geloof, de drank en drugs en de liefde erbij halen.


Wat is dat toch met ons, dat we de diepe leegte, die we allemaal ervaren, willen vullen met "zin". Of met zinnen. Je kent het wel, wanneer je met een vriend of vriendin op de bank zit en het gesprek valt stil. Wanneer we dan koste wat kost de leegte die er ontstaat, die stilte, willen vullen. We zoeken naar woorden, gespreksonderwerpen, om die godvergeten leegte, die ons zo doet denken aan het leven zelf, vol te stouwen met onzinnigheden. Waarom kunnen we niet even stil zijn, samen? Even genieten van het niets? Waarom beangstigt het ons zo?


Ik ben het grootste gedeelte van mijn leven bang geweest. Niet uitsluitend voor de leegte trouwens. Misschien ben ik, naast de angst voor het eindeloze niets, bang voor dat wat mensen aanhalen om dat niets te verdrijven. Dat wat men doet om veiligheid te creëren. Feitelijk is het een schijnveiligheid hoor. Leegte laat zich per definitie niet volstouwen.


Het doet me denken aan oma. Oma, lieve oma, die me vroeger weleens meenam naar de katholieke kerk, om kaarsjes te branden wanneer een familielid of bekende ziek was, waarbij "ziekte" doorgaans betekende: niet helemaal fit, beetje bleh, snotneusje. Of ze waren een paar maanden later morsdood. Die kaarsjes hielpen dus niet heel erg.


Oma was een goed mens voor zover ik dat kan beoordelen, en een overtuigd Christen. Oma was niet bang voor de leegte omdat ze die had gevuld met God. Laat oma het niet horen, maar ik vul de leegte wellicht liever met het tegenovergestelde. Of beter; dat wat ik als Goddeloos ervaar. Feitelijk valt het allemaal wel mee. Ik herinner me tijden waarin ik tegen mezelf fluisterde dat ik alles moest doen wat God verboden had. Wat meestal neerkwam op zoiets als een halve fles wijn leegdrinken en in m'n armen snijden. Ik laat het even in het midden in welke mate dat een theologisch verbod overtrad. Waarschijnlijk minder dan ik me op dat moment voorhield. Minder ruig dan ik zou willen.


Ik bestrijd de leegte met ontwikkeling. Daar waar je ontwikkelt, daar krimpt het niets. Probleem is dat je ontwikkeling niet af kunt dwingen, althans, meestal niet. Deze dagen, deze dagen vol ontwikkeling, daar teer ik op. En het helpt geen zier.


Progressie is omarmen wat je niet kan veranderen. Berusting, dat is ontwikkeling.


Ik schrijf veel. In de laatste weken is er een theaterstuk, een liedje en een gedicht of 9 uit m'n pen gerold. Mijn vader zei al dat ik ergens balanceer op een randje van het gaat goed en het gaat niet goed. Ik snap die redenering, want ik ben het productiefst als het niet goed gaat, tot op zekere hoogte. Als het écht niet goed gaat, produceer ik niks meer, dan zit ik enkel voor me uit te staren. Maar als het goed gaat, komt er zo mogelijk nog minder uit me. Het is een fijne balans, een uiterst secure bezigheid, produceren. Het randje tussen gekte en geluk. De fijne lijn tussen "ik maak" en "ik verword", als je het zo zou kunnen noemen,


Soms ben ik jaloers. Soms ben ik zo ontzettend, tot op het pijnlijke af, jaloers op de mensen om me heen. Mensen die beter kunnen schrijven, die beter kunnen communiceren, die feitelijk beter kunnen leven dan ik. De vriendin met de drukke baan, die nauwelijks tijd heeft voor andere zaken (af en toe een kopje thee met mij, in haar woning, waar ze zo nu en dan d'r laptop op schoot zet tijdens onze gesprekken met de onnodige, verontschuldigende mededeling "even doen alsof ik werk"). De man met de zoon, en een dozijn aan projecten, die niet toe is aan een relatie (hoe zou hij er ook in godsnaam ruimte voor moeten creëren? Zowel in hoofd als tijd?). De broers, de een met de twee dochters, de ander met z'n cabrio en z'n computer. Ik ken ze. Ik koester ze. En ik haat ze, door de jaloezie, die me soms van binnenuit verteert. Zij leven. En ik? Ik adem nog.


Dát is leegte, denk ik. Dit is waar wij, met z'n allen, zo bang voor zijn. Het niet écht leven, het niet uit het leven kunnen halen wat erin zit.


Ergens kan ik trots zijn. Ik vermoed dat ik, doordat ik doorgaans in de leegte leef, de kunst van het bang zijn niet alleen eigen heb gemaakt, maar ook heb kunnen omvormen. Daar waar anderen het vullen, daar geef ik me er aan over. Mijn leegte hoeft niet opgevuld te worden met werk, seks, drugs, God, hobby's, kids, ga zo maar door. Ik beweeg me binnen het niets, en dat gaat me goed af. Het niets en ik zijn één. En zodra je versmelt met het niets, is het minder angstaanjagend. Hoewel een mens ook bang kan zijn voor zichzelf.


Och, het is een mooie theorie.


Ik vermoed dat ik te menselijk ben om hier consequent in te geloven. Van die momenten, zoals gisteravond, waarin het niets me aanvliegt. Wanneer ik uit een sessie (we mogen weer!!) de rust opzoek in de stamkroeg met de lieve barman en een wijntje bestel, overvalt het me. Zonder aankondiging is het daar. Een gedachte? Een gevoel? Wanhopig bericht ik mensen, die niet of nauwelijks reageren.


Waarom heeft een mens anderen nodig?


Om te spiegelen, vermoed ik. Om er zeker van te zijn dat jij de leegte beter meester bent geworden dan een ander. Of, in het slechtste geval, dat de afwezigheid van het lege in je leven gelijk is aan het niveau van de ander. Vul. Vul en verlos.


Ik reflecteer, en misschien is dat mijn functie. Ik spiegel het in m'n ogen wanneer iemand me aankijkt.


Grappig hoe een mens zo vol kan zitten met leegte. Frappant hoe iemand kan overstromen met niets.