Voor haar zoon.

"Zou jij willen zingen op mijn uitvaart?" vraagt ze. We zitten in een drukke zaal, te druk, terwijl de soulband net Aretha Franklin inzet. Ik neurie een beetje mee en denk na. Mensen gaan nou eenmaal dood. Soms rijden ze zichzelf te pletter op een motor, en in een enkel geval worden ze na 5 weken coma wakker en herstellen ze. Soms nemen ze hun eigen leven. Soms krijgen ze kanker en sterven ze langzaam, beetje bij beetje, tot de dood daar is, en als een pluizige mantel over het lijden valt. Doodgaan is zacht, althans, dat kan het zijn.


Ik vraag haar welk lied ze zou willen dat ik ter gehore breng, al weet ik het antwoord eigenlijk al. Het is de moeder van een van m'n beste vrienden, beter, de moeder van een van mijn weinige zielsverwanten die ik in dit leven heb getroffen. Zijzelf is lief, zacht, zoals die mantel. Ze treedt het resterende leven tegemoet met een open houding, en benadert mij alsof de dood niets is wat wij zouden moeten vrezen. Ik ben bang, zoals altijd, maar ook overvalt mij een gevoel van dankbaarheid. Ik ben dankbaar voor de vriendschap die ik van haar zoon mag ontvangen. Ik ben dankbaar voor de vriendschap die ik vandaag met haar sluit, al is dat niet het goede woord. Ik beloof het haar, onuitgesproken weliswaar, op deze dag in April, vlak na haar 60e verjaardag, anderhalve week voor mijn 35e. Ik beloof haar zonder woorden. Ik pas op hem. Hij is niet alleen. Hij heeft een vriend in mij.


Het feest raast voort, maar ik raak overprikkeld. Dus fiets ik naar het keldercafé waar het altijd rustig is, met de vriendin die een wijntje drinkt, en de altijd lieve barman. Bij binnenkomst ziet hij het al in m'n ogen, en schenkt mij een kopje thee, terwijl dit normaal gesproken rode wijn-tijd zou zijn. Woorden zijn soms zo overbodig. Ook dit zijn vrienden.


Tegen 7en zit ik met een dikke paniekaanval in de taxi naar huis. Allicht bij mijn eigen taxichauffeur, de vriendelijke. Mijn fiets wordt door een stamgast de kelder ingesleept. "Haal morgen maar op", zegt de theeschenker.


Ik verbaas me soms over de liefde. Ik verbaas me over de liefde die ik mag ontvangen en die ik mag geven. Het staat in schril contrast met het geweld wat ik mezelf soms aandoe. Wanneer die vriend met de zieke moeder voorzichtig mijn arm verbindt en me eventjes vasthoudt. Gewoon even naast me zit en er alleen maar is. De vriend. De vriend met zoveel eigen ellende, en die ergens nog de ruimte vindt om met mijn perikelen om te gaan, er tijd voor te maken. Gewoon even samen zijn. Alleen maar zijn, want ik vergeet soms hoe dat moet.


Feitelijk is leven heel erg langzaam doodgaan. De kunst is om dat te vergeten. Te leven in "het nu" en niet te denken aan het onvermijdelijke dat op de loer ligt. Het lijkt zo simpel, zo basaal ook, maar het is een vaardigheid die ik niet zo goed versta. Ik ben me constant bewust van de dreiging om me heen, het naderende sterven, nu, volgende week, over 50 jaar. Ik bereid me er op voor, en dan heb ik niet eens kanker.


De laatste maanden is mijn onverschillige houding ten opzichte van de dood verdwenen. Daar ik altijd vond dat leven of sterven een beetje om het even was, bedenk ik me het laatste half jaar dat ik niet dood zou willen gaan. Niet nu. Ik kijk daarom beter uit bij het oversteken. Overreden worden door een stadsbus zou, voor het eerst misschien, gewoon ontzettend balen zijn. Ik wil nog wel efkes. Ik vind het leven leuk. Leuker in ieder geval. Ik geniet van de momenten. Misschien leef ik in het nu, het echte nu. En ik verlang van het nu dat het nog langer duurt.


Gezegend zijn we. De mensen die het nu kunnen rekken. Wij, die niet hoeven na te denken over wie en wat er gezongen wordt over een maand of 2, na je eigen sterven. Wij, die het te druk hebben zo nu en dan, om stil te staan. Om even stil te zijn. Samen. Dat doen we eigenlijk pas wanneer er ons iemand ontglipt, of, in dit geval, wanneer we ons voorbereiden op het ontglippen.


Ik weet niet of ik haar nog zal zien. Ik zei bij het afscheid zondag maar "ik zie je gauw". Ook afscheid nemen valt niet onder mijn hoogontwikkelde talenten. Ik doe m'n best. De kaart die ik voor haar verjaardag schreef lag een aantal dagen onbeschreven op mijn tafel. Wat schrijf je iemand die afscheid neemt van het leven en alles wat erin zit? Ik had haar zoveel willen zeggen. Ik had haar willen schrijven over haar eerstgeborene. Hoe hij een mens is, een volwaardig en mooi mens, dat me bijeen veegt als ik breek. Hoe hij de stukjes lijmt en polijst. Hoe hij me heler maakt wanneer ik barst. Hoe hij een vriend zijn tot een kunst heeft verheven.


Inmiddels siert de vriendschap mijn piano. De akkoorden printte ik uit op de printer van mijn vader. De man die niet dood is, na zijn motorongeluk. Wat zijn we toch mazzelkonten. Tel je zegeningen. Ik ben niet alleen.


Eigenlijk is dat wat vriendschap is. Het niet alleen zijn. Je niet alleen voelen. Ik ben niet alleen. Ik voel me niet alleen. Ik heb de vriend, de barman, de taxichauffeur, de wijndrinkende vriendin, de motormuis, mijn eigen mams, de stamgast, en de moeder. De moeder die haar zoon achterlaat. De zoon die ze achterlaat in goede handen.


Lieverd. Jij kunt dit. Je bent sterk genoeg. En waar je het niet aankan, daar staan wij. Wij staan klaar, met blik en veger. Met lijm en zeepsop. We zullen je lijmen, maken, helen, oppoetsen tot je weer glimt en straalt.


You've got a friend.