De cellist.

Ik zit hier op een steenworp afstand tussen de muren van karton en ik zou zo graag willen zingen tot ik de strijker hoor


De deuren kunnen open logisch want daar zijn ze voor


mijn lijf is de woning mijn ziel de verhuurder mijn geest is de kraker die het pand niet wil verlaten


En als ik dan zing of zeg of stamel schrijf met duizend fouten dat ik zo gruwelijk vast zit in de spinsels van een hoofd dat voelt alsof het nooit meer helder wordt


Speelt hij de tonen op een cello die van mij was in een ander leven in een ander lichaam in een andere ruïne in een ander fort


Het regent dat het giet op mijn papieren daken ik stut en stuc de wanden en dat terwijl het onweer alleen maar erger wordt


En hoe kan hij nog zó mooi spelen met een strijkstok die is ingekort?