Over missen en magie.

De laatste dagen van het jaar wegen me zwaar. Ik zie het om me heen; een tijd van het missen van familieleden die er niet meer zijn, mijmeren omdat je kerst zonder partner moet vieren, en meer van zulks. Mijn kerstmis kenmerkte zich altijd door een kinderlijke magie, die ik op de een of andere manier nooit echt verloren ben. Wanneer ik, als quasi-zelfstandige jong-volwassene op eerste kerstdag naar het ouderlijk huis afreisde, en ik daar de kerstboom zag. Meestal aan de grote kant, een dag voor kerst opgezet en een dag na oudjaar weer weggehaald, met daaronder de kerststal van oma Mien, Vroeger met houten figuurtjes, waar ik en mijn broers onze favorieten er zelf in mochten hangen, op de mooiste plekjes, tegenwoordig met een scala aan zilveren en rode kerstballen die zowaar bij elkaar passen. De eindeloos lange ritten naar Breda of Tilburg, waar we overige familieleden troffen - elk jaar minder, ook wij werden getroffen door de meedogenloze tand der tijd; de familie dunde uit.


De laatste jaren gaan we niet meer. En het rare is dat ik deze dagen zelfs deze helse ritjes en veel te kakofonische dagen mis. De kerst van 2021 kenmerkt zich door het missen. Het missen van alles en iedereen dat er niet meer is. En, vreemd genoeg, een voorschot op het missen van de toekomst.


Ik herinner me de sterfgevallen. Opa eerst. Toen mijn oom Ray, En niet veel later, tot haar eigen grote opluchting, oma. Oma Mien met de kerststal. Die altijd in die oude lelijke opa-en-oma-kast stond uitgestald. Je weet wel, zo'n ouderwets donkerbruin geval wat een hele wand bedekte, waar ze 1 open vak uit leegde in december. Oma (misschien met hulp van opa?) zette alle figuurtjes secuur gepositioneerd om de kribbe heen, omringd door ouderwetse kerstlampjes aan een groene snoer. Ik stel me voor dat ze daar altijd lang mee bezig was, en dan, als alles goed stond, ze als een soort kroon op haar werk, als een kers op de taart, het kleine beeldje van het kindeke Jezus in de kribbe legde.


Soms denk ik aan haar. De laatste weken meer dan in alle jaren daarvoor bij elkaar opgeteld. Waarom weet ik niet. Het is een raadsel waarom ik het missen tot een dagtaak heb gemaakt. Tot kunst verheven. Ik mis ze. Alledrie. Omdat zij degene zijn die ons als eerste zijn ontvallen? Of omdat ik werkelijk gelijk heb als ik zeg dat ik met opa en oma en Ray meer had dan met mijn moeders zussen en de aangetrouwde ooms?


De tijd gaat me te snel. Ik herinner me hun sterven, kinderen waren wij nog. Mijn ouders nog lang niet zo oud als nu. De grootste confrontatie met het doordenderen van de tijd zijn mijn 2 nichtjes. Ik heb 2 nichtjes. Van die kleine die steeds groter worden. En dat terwijl ik me zelf nog zo klein voel, wachtend op het groter worden.


Misschien bereid ik me daarop voor. Op het moment waarop de geschiedenis zich zal herhalen, en die nichtjes tekeningen maken voor oma of opa die er niet meer is. En dat ik op dat moment ineens besef dat ik al lang en breed volwassen ben. Een vrouw van in de 40 of 50, die nog steeds wacht op het moment dat ze groter is gegroeid. Ik blijf wie ik ben. Tante Kris, kind van mijn ouders.


Ik bereid me voor op het missen van later. En dat heeft totaal geen zin vermoed ik, maar ik weet niet hoe ik het moet stoppen. Wellicht komt het door het ongeluk van mijn vader een aantal jaren geleden, en het maken en spelen van de voorstelling daarover. Elke dag dat hij nog bij ons is, is feitelijk een cadeautje. Bonustijd. Mooi woord. Bonustijd. Is dat niet hoe het hele leven eigenlijk omschreven kan worden? De tijd die ons gegund is, het leven zelf, het zijn allemaal kleurig ingepakte cadeautjes onder de kerstboom. We pakken ze uit en gaan (door met) leven. We staan er bijna nooit bij stil, behalve op momenten dat het niet meer vanzelfsprekend is. Plots is daar, aangekondigd of onaangekondigd, lijdzaam of gewillig, de dood. De dood die je doet beseffen dat er volgend jaar een pakje minder onder de boom ligt, naast de kerststal van oma Mien.


We worden allemaal geboren. En we gaan allemaal dood. Die zekerheid geeft me rust. Dat er in ieder geval nog die twee dingen zijn, die er hoe dan ook gewoon zijn. En de zekerheid dat er, wanneer het kerstmis is, die iets te grote boom staat te pronken in de kamer van mijn ouders. Dat we de lampjes ophangen. Dat we dingen verlichten. Dat we ons omringen met licht in de donkerste dagen van het jaar.


Dat de lampjes aan de groene snoer, als een rotsvast vertrouwen, om de kribbe liggen. Dat mijn nichtje alle figuren in het stalletje propt, en wij quarantaine en anderhalve meter afstand-grappen maken. Dit is magie.


Magie is niet het onmogelijke mogelijk maken. Een magisch gevoel komt voor mij niet uit flitsende veranderingen, onvoorziene twisten van het noodloot die je "wonderen" kan noemen.


Nee, magie is het ontbreken van tijd. Magie is dat het goed is, even, en dat alles dan altijd zo blijft. Magie is routine. Magie is weten wat er is, wat je hebt, en dat het altijd weer terug zal keren.


Magie is de boom met de rode en zilveren ballen, die een afdak vormt voor het erfstuk van oma.


Magie is de kerst op de taart. De kroon op het werk van wijlen Mien. Het neerleggen van het kindje in de kribbe.