top of page

Eerste Kerstdag

¨Wat is er, lieverd?¨ vraagt mijn schoonzus, als zij naar buiten komt om een sigaret te roken en mij huilend op de één van de verregende tuinstoelen vindt. Ze noemt mij vanaf de eerste keer dat ze me zag al ¨lieverd¨, en begroet me met één kus op mijn wang. Er was een tijd waarin ik mij bijzonder voelde vanwege deze begroetingsrituelen, maar al vlug kwam ik erachter dat in haar wereld iedereen een lieverd is en iedereen een kus verdient. Toch zijn dit soort kleinigheden daarom niet minder aangenaam. Ik haal mijn schouders op, in onvermogen verkerend haar uit te leggen wat er in mijn hoofd omgaat. En dus beantwoord zij haar eigen vraag door het alles, het niets en de wereld erbij te betrekken en daarin zit ze niet eens zover van de waarheid.


Mijn vader haalt mijn hondje, mijn Pips, mijn enige vertrouweling, mijn liefste vriendinnetje op dit soort dagen, en trommelt mijn broer op voor een wandeling. Wanneer ik buiten met hem sta te wachten tot mijn papa zijn telefoon heeft gehaald om mijn andere broer te berichten waar hij blijft, verwordt het unheimische tot terreur. Ik huil, onophoudelijk en vol elan, terwijl de familie binnen aan hun 3e borreltje begint.


Lopen dus. Één van de weinige dingen die mijn hoofd tot rust lijken te manen wanneer ik wankel op de rand van mijn psychose. Mijn vader praat, hoewel ik het op dat moment meer als hakken ervaar. Doet suggesties, verteld me met mijn broer te spreken. Ik roep snikkend uit dat ik niet weet waarover, want wat moet hij nou van mij willen weten? Wat heeft hij aan zo´n zus, die de eerste kerstdag verpest? Mijn broer pakt mijn hand, mijn vader de lijn van de hond – ze kan nog steedes niet loslopen zonder er vandoor te gaan – en langzaam hakkel ik de woorden uit mijn mond richting zijn oren. Over KaPOT, over mijn lieve vriendje die, héél stom, deze kerst moet werken, over mijn broers glitterbaard, vergezeld door paarse opplakwimpels, die een dag geleden nog op zijn facebookpagina verscheen. Mijn woorden bereiken hem, wat me verbaasd want soms lijkt het alsof ik kan praten, kan gillen en krijsen wat ik wil, maar dat mijn woorden tegen een soort geluidsbarrière aanslaan, en ik ze ongehoord retour afzender ontvang.


Wanneer het ouderlijk huis in zich komt vraag ik hem hoe mijn makeup zit. Ik had die ochtend mijn best gedaan eruit te zien als het mens dat ik niet ben; een normale, verzorgde jonge vrouw die een kerstviering met haar familie uit het zuiden op het programma heeft staan. Ik zie mijn ooms, tantes en neefjes slechts één keer per jaar, dus dan mag je best een beetje je best doen. Mijn broer antwoordt dat ik eruit zie als een panda. Bij thuiskomst vlucht ik naar boven, naar mijn tijdelijke crisiskamer waar ik sinds enkele dagen verblijf. Terwijl ik de watjes onder mijn ogen doorhaal en via de spiegel naar mijn moeder kijk, valt mij de foto op van D. en mij, die ik, vergezeld van foto´s van enkele vriendinnen, zorgvuldig naast mijn spiegel heb geplakt.


Missen is een dagtaak.


En dan mis ik niet eens alleen hem. Ik mis mijn oma, opa, en oom, die er deze kerst, en alle kersten die volgen, niet bij kunnen zijn. Ik mis de viering die beneden verder woedt terwijl ik, doodop, halverwege het hoofdgerecht door mijn vader in bed wordt gestopt. Slapen. Het enige dat mijn lichaam soms lijkt te kunnen. Het enige dat mijn brein enigszins tot kalmte maant. Ik heb de energie niet meer te huilen. Ik heb de energie niet meer te missen. Ik heb de energie niet meer te vechten tegen alles wat er in mijn hersenpan brandt, krijst en stormt.


Wanneer ik tegen tienen wakker word en naar beneden loop om een sigaret te roken, is het huis weer stil. Geen verre familie, geen Pips, geen pa en moe. Een lichte paniek overvalt me, maar wanneer ik verder loop – mijn pakje peuken duidelijk in het vizier – hoor ik gerommel uit de bijkeuken en vind ik mijn moeder. Pippi en pappi zijn lopen laat ik mij vertellen. Ik strijk neer bij de schuifpui en kijk uit naar de nabije toekomst. Over een half uurtje komt D. langs vanuit zijn werk, en hoop ik aan hem steun en kracht te ontlenen.


Eenmaal met paps, mams en vriendje (hij verorbert een restje konijn) om tafel praten we na. Oom en tante waren wat stilletjes, neefjes en broertje waren wat druk, kinderen van schoonzus waren lief. En ik? Ik weet niet wat er aan die tafels, of wellicht al in de auto op weg naar Braboland, over mij gezegd wordt. Kon ik ze maar uitleggen dat ik op die eerste kerstdag in tweeduizendvijftien, die nu al lang geleden lijkt, ontregeld was. Dat ik niet altijd zo ben. Dat ik best kan gaan studeren in september en dat ik vaak vrolijk en content, soms zelfs gelukkig ben. Dat ik het prettig vond ze te zien, dat ik stuk voor stuk voorzichtig van ze houd en dat ik óók kan lachen, kan praten en kan liefhebben.


En dat ik zo graag had gewild dat D. er dit jaar bij was. Niet alleen zodat ik steun aan hem had kunnen ontlenen, maar ook omdat ik trots ben op een man, een vriendje, zoals hij. Want een leuke, lieve en schijnbaar ¨normale¨ man, die houdt van mij. Kijk dan! Ook van mij wordt er gehouden. Ook ik ben een mens van vlees en bloed en liefde. Ik ben niet alleen die ziekte, die, inderdaad, op de meest lastige momenten (is het de tijd van het jaar?) de kop op steekt. Ik zou ze willen schrijven:


Lieve familie; dank voor jullie komst! Kom nog eens langs, maar dan liever niet allemaal tegelijk, en aanschouw mijn kracht en helderheid, in betere tijden, op andere momenten.


Lieve paps en mams; dank dat ik hier weer kan zijn en dat jullie zoveel voor me doen. Ik ga jullie trots maken, misschien nu nog niet, maar later. Met de muziek, met een studie en een baan. Maar vooral met een helder hoofd.


Lieve D.; dank dat je niet meegaat in mijn wanen en paranoia. Mijn liefde voor jou is groots, groter dan een psychose of een residu daarvan van ons kan afnemen. Ik mis je. En ik mis mezelf als ik, wanneer ik zo ben, bij je ben. Jij bent de grootste reden dat ik wil helen, want alleen dan kan ik oprecht van je houden en kan jij mij liefhebben.


Lieve allemaal; een kerstgroet! Geniet van deze tweede kerstdag! Ik ben er wel, ookal ben ik een beetje verder weg de laatste tijd. Ik knok door, en ik hoop jullie in het nieuwe jaar weer te mogen kennen, spreken. Met jullie te lachen, te huilen en van jullie te houden.


Wees dankbaar voor wie je bent! En geniet!


Fijn kerstfeest, en veel liefs.


K.



bottom of page