Helios.

Storm. Het heeft me van jongs af aan al een ambivalent gevoel gegeven. Daar ik als kind bij mijn ouders in bed kroop, bang voor het onweer, en tegelijkertijd zo onder de indruk van het natuurgeweld.


Aan de ene kant vind ik het heerlijk om bij windkracht heel hard waaien over het strand te lopen, met de neus in de wind, en amper vooruit te komen. Metershoge golven die het zand wegslaan, waarop rukwinden het in je oren en ogen waaien zodat horen en zien je vergaat. Het maakt dat ik me klein voel, en je klein voelen is zowel fijn als minder fijn. Het besef dat jij, als klein wezentje op een grote aardbol, in een nog groter universum, zo minuscuul bent dat je zorgen en je wensen verwaarloosbaar worden. Het maakt niet uit. De wereld draait ook zonder mij. Ik ben slechts deel van een wereld, een systeem, wat zoveel groter is dan ik op een gemiddelde doordeweekse dag beseffen kan. Gigantisch is het. Het voelt fijn en beangstigend tegelijkertijd.


Daaropvolgend volgt dan vaak het gevoel dat ik me aanstel. Waar maken we ons, waar maak ík me toch zo druk over. Ja, mijn leven is niet altijd makkelijk, maar ik leef. Ik word niet geteisterd door een natuurramp, oorlog, een meteoriet die op mijn hoofd neerslaat. Ik leef omdat ik nog niet ben gestorven. En niet sterven is simpelweg mazzel hebben.


Altijd als het buiten zo tekeer gaat, kom ik uit bij die levensvragen. Waarom leven we? Waarom leef ik, en niet een ander? Als ik niet ik was geweest, was dat wat ik nu ik noem in een ander lijf, een ander leven, terecht gekomen? Bestaat er dus zoiets als een ziel? En zo ja, dan zou er toch ook iets na ons sterven moeten zijn?


Ik had er gisteren nog een vluchtig gesprek over met een kennis. Dat men vroeger voor elk natuurverschijnsel een God had. Een God voor het op- en onder laten gaan van de zon. Een God voor het onweer. En op het moment dat de wetenschap die dingen kon verklaren, werden deze Goden bijna belachelijk basaal. Ze waren niet meer nodig, dus liet de mens ze sterven. Ik zei dat ik vermoed dat ook onze huidige religies ooit zullen op deze manier zullen eindigen. Want; onze kunde als mensheid gaat zo ver en zo snel dat ik denk dat er ooit een manier gevonden wordt om in het eventuele hiernamaals te kunnen kijken, of aan te kunnen tonen dat er geen hiernamaals is. Op dat moment zal alle religie stoppen. Althans, allen die in een hogere macht geloven anders dan de mens zelf.


Ik vind het soms bijzonder dat ik alleen op momenten zoals afgelopen week aan deze dingen denk. Op de een of andere manier werkt het zo bij mij. Uit het oog is soms dus echt wel uit het hart. Want nu schijnt 't zonnetje lekker door mijn raam naar binnen en verheug ik mij voorzichtig op de zomer. Ik stel mezelf die vragen niet meer, ik leef gewoon. Ademhalen is niet moeilijk, mits je je er niet van bewust bent. Leven is makkelijk, als je even niet beseft dat je leeft. Het is niet het voelen dat je leeft, maar het vergeten dat je überhaupt bestaat wat een leven werkelijk leven maakt.


Misschien lijkt het leven an sich wat op verkeren in een psychose. Dingen krijgen pas werkelijk waarde wanneer je ze waarde toekent. En daarnaast zijn er de zaken die "gewoon gebeuren", zonder dat je er vraagtekens bij zet. Het gaat eigenlijk alleen maar om gewenning en om context. We denken niet meer na over het feit dat elke dag de zon opkomt, en 's avonds weer ondergaat. We staan er niet bij stil. We zouden het eigenlijk pas bewust realiseren op het moment dat de zon niet opkomt. Pas als de nacht eeuwig wordt, stellen we vragen over de vanzelfsprekendheid van het daglicht.


In mijn psychoses werkte het ongeveer hetzelfde. Als kind en als opgroeiende puber stelde ik nooit vragen over de dingen die ik als normaal beschouwde. Je hebt de dingen die je "moet", zoals naar school gaan, eten, slapen. En je hebt de dingen die je waarde toekent als individu, in mijn geval het muziekmaken en door middel van sociale contacten een eenzaamheid verdrijven. Toen de verwarring mij de eerste keer overviel, werd zowel het vanzelfsprekende als het persoonlijk waardevolle op de proef gesteld. Ik stelde overal vragen bij, want niets was nog zeker. Het lijkt misschien op dat wat ik hier eerder schreef; mijn psychose voelde alsof er iemand mij met waterdichte bewijslast kwam vertellen dat de zon niet op- en ondergaat, omdat hij op een karretje richting horizon wordt getrokken door Helios, maar dat de aarde om de zon draait en zodoende de illusie wekt dat het de zon is die beweegt. Helios werd bruut vermoord, terwijl ik hem altijd als een vanzelfsprekendheid had gezien.


Ze omschrijven een psychose als "het contact kwijt zijn met de realiteit", maar feitelijk voelt het alsof alles wat je voordien als "realiteit" bestempeld hebt, zowel door opvoeding, eventuele religie, en door eigen empirisch onderzoek, een grote illusie is geweest. Pas nu word ik wakker. Alles tot nu was onwaar.


Ergens is het zaak in ons leven als individu om je eigen waarheid te creëren. Men houdt zich in het leven vast aan de dingen die voor hem/haar zinvol zijn. Die rust geven. Ergens in geloven is zo belangrijk voor het menselijk welzijn. Tijdsgeest en maatschappelijke druk zorgen ervoor dat de algemene opvatting constant verandert. Maar wat is waarheid? En belangrijker nog: wat maakt mij, als mens, blij?


Ergens ben ik bevoorrecht dat ik me, door mijn ziekte, deze vragen ging stellen. Want ik houd ervan om te leren, en om zo dicht mogelijk bij "de waarheid" te komen, wat dat dan ook moge zijn.

Hoe onthutsend en vreselijk het ook is geweest. Ik ben blij dat ik mijn zinloze Goden heb doen laten sterven. Want misschien is een natuurverschijnsel een stuk betrouwbaarder dan een God. Hoe dan ook is het mijn waarheid geworden. Iets waarin ik met volle overtuiging geloof. En daardoor ben ik minder bang geworden voor het onweer dat ons soms overvalt.


Helios is dood.