top of page

Kleine hapjes & kleine stapjes

  • 6 feb
  • 4 minuten om te lezen

Bij ons thuis heerst de filosofie: kleine hapjes en kleine stapjes. Dat laatste spreekt waarschijnlijk voor zich. Dat eerste slaat op mijn drang mijn lief soms te bijten, wanneer mijn gevoel voor hem zo groot is dat ik hem op wil eten of pijn wil doen. Wanneer een gevoel van affectie te groot is, is opeten of pijn doen een logisch gevolg. Althans, dat vind ik. Hij zegt dan, terwijl ik, iets te hard bijtend, op zijn oor knabbel; "kleine hapjes."


De kleine stapjes zijn voor velen misschien herkenbaarder, al kan ik me moeilijk voorstellen dat er niet meer mensen zijn die snappen dat van iemand houden en iemand heel hard willen bijten in elkaars verlengde liggen. Kleine stapjes vooruit, en soms een minuscuul stapje terug om te zorgen dat je weer stappen vooruit kan nemen. Gisteren maakte ik, gelukkig vergezeld door de man met de beknaagde oren, een stap terug.


Ik zat begin januari bij de huisarts voor mijn jaarlijkse uitstrijkje. Van dat uitstrijkje is niets gekomen. Bij binnenkomst vroeg de beste man, die overigens ook een beste dokter is, hoe het met me ging, en ik barste in huilen uit. Ik voelde me bezwaard dat we vervolgens meer dan een half uur in zijn kantoortje zaten te praten en de andere patiënten in de wachtkamer bleven zitten, wetend dat mijn consult maar tien minuten zou hebben moeten duren. Mijn dokter neemt vaak de tijd, in ieder geval voor mij, maar ik denk voor iedereen. Wanneer ik met een fysieke klacht naar hem toe ga, informeert hij standaard ook naar mijn mentale toestand. Hij heeft wel eens gezegd dat mijn diagnose schizofrenie hem mateloos interesseert. "Ik vertel soms mensen dat ze dood zullen gaan," zei hij dan, "omdat hun bloedeigen lijf ze in de steek laat. Wat jij hebt lijkt me hetzelfde, maar dan op mentaal vlak". Dat vond ik destijds al een mooie en treffende uitspraak.


De dokter is vaak bang dat ik in een psychose raak onder zijn toezicht. Hij heeft me in het afgelopen jaar al vaker laten bellen met de casemanager van GGZ, waar ik iets minder dan een jaar geleden afscheid van heb genomen. "Ik ben hier niet gekwalificeerd voor", zegt hij dan, "bel alsjeblieft even met de GGZ". Ik heb de dokter al vaker verteld dat ik niet zomaar in een psychose meer raak. De randjes van een desbetreffend ziektebeeld tik ik vaak aan, maar het is al zoveel jaren geleden dat ik werkelijk over die rand heen tuimelde. De dokter had in dat begin van dit nieuwe jaar echter wel gelijk; het ging niet meer. Ik had weer psychiatrische hulp nodig.


Zodoende zat ik gisteren bij FACT centrum, een afdeling van Lentis voor mensen uit de EPA-doelgroep. Ik heb al jaren kunnen wennen aan het feit dat ik tot die doelgroep behoor. Mensen met een "ernstige psychiatrische aandoening". Het voordeel van behoren tot de EPA-doelgroep is dat de wachtlijsten relatief kort zijn - er zat slechts een maand tussen de doorverwijzing van de huisarts en de intake. Mijn moeder zou met me mee gaan, maar door de ijzel in de provincie durfde ze niet goed de deur uit. Zodoende ging mijn lief mee. Om elf uur zaten we met een psycholoog, die mijn nieuwe hoofdbehandelaar zou worden, een psychiatrisch verpleegkundige die de rol van casemanager op zich zou nemen, en mijn oude casemanager van FACT noordwest in een kleine kamer op de derde verdieping van een gebouw bij ons om de hoek.


De psycholoog leek op mijn broertje, al was zijn baard aanzienlijk langer. Op het moment dat hij begon te praten, deed hij me vooral denken aan de psychiater die mij jaren geleden behandelde bij GGZ Drenthe. Johan heette die man; een verstokt roker en iemand die nadenkt voordat hij spreekt. Vooral dat kettingroken schepte destijds een band. Ondanks zijn smoezelige uiterlijk was het één van de beste artsen die ik in mijn "loopbaan" heb getroffen. Ik wist niet of deze nieuwe hoofdbehandelaar ook rookte, maar de gelijkenis met mijn broertje en Johan gaf me hoop. Hoop dat hij net zo kundig zou zijn als de psychiater en zo lief als mijn broertje. Hoop dat we misschien samen eens een peukje konden roken.


Het gesprek duurde een klein uur. Mijn lief zei op de korte terugweg naar huis dat hij de verbazing had gezien bij de nieuwe behandelaars over mijn vermogen te verwoorden wat ik voel. Ik had dat zelf niet opgemerkt. Ik had ook niet benoemd dat het als een flinke stap terug voelde dat ik hier zat. Wel had ik gezegd dat het momenteel niet meer alleen ging. Ik had weer even hulp en ondersteuning nodig. Ik was bang geweest dat ze me weer naar huis zouden sturen omdat ik aanvankelijk nog niets met medicatie wilde; ik slik en slikte al genoeg pillen. De man die het midden houdt tussen mijn broer en de goede psychiater had gezegd; "Natuurlijk nemen we je in zorg". Dat was een opluchting geweest.


Eenmaal thuis was ik vooral doodmoe. Ik belde mijn moeder kortstondig, lunchte met mijn lief en kroop toen een paar uurtjes in bed. Ik droomde over mijn tijden in de klinieken.


Aan het einde van de middag doken we even de kroeg in en toen we thuis kwamen bestelden we pizza. Daarna zaten we tegen elkaar aan op de bank en praatten we. Eindelijk, voor het eerst in maanden, praatte ik weer eens open en eerlijk met hem. Ik had gezegd dat dat zo lang geleden leek, of was, en hij beaamde dat. Praten lijkt zo makkelijk, en dat is het ook. Maar écht praten, zoals we gisterenavond deden, vereist een samenloop van omstandigheden en een gedeelde mindset. Een zeldzame combinatie, zelfs voor twee geliefden.


Als we in bed liggen kruip ik dicht tegen hem aan. Ik voel het weer. Ik voel hém weer. Echt, dichtbij, eerlijk, open. Ik weet niet goed of ik moet huilen of grinniken, maar het gevoel is intens en het emotioneert me. Ik heb hem gemist. Meer nog; ik heb mezelf gemist in een staat van zijn waarin ik me werkelijk nabij kan voelen tot een ander. Tot hem. Even denk ik aan de huisarts, en aan mijn nieuwe psycholoog. Aan het kleine stapje terug, dat ik vandaag zette, om er in de toekomst weer een heleboel vooruit te kunnen zetten. "Zachtjes aan hoor", zegt hij, en pas dan realiseer ik dat ik in zijn oorlel bijt. "Kleine hapjes", zeg ik. En val even later in een, toch nog onrustige, slaap.

bottom of page