Muzikaal doodvonnis
- 4 jun
- 4 minuten om te lezen
Ik twijfel over het publiceren van deze blogpost. Hij staat al een aantal dagen in mijn lijst van concepten. Van de bassist kreeg ik een soortgelijk, hoopvol verhaal. Misschien zijn er meer van die verhalen? Heb je die een? Bericht me dan.
Mijn beste vriend zei laatst dat als hij iets van mij geleerd heeft, het is dat je met diagnoses kan leren leven.
Ik heb diagnoses altijd gezien als uitdagingen. Mankementen die je, als je een beetje pech hebt, gegeven worden bij je geboorte of in je levensloop, waarbij je net efkes wat harder moet knokken dan een ander. Knokken heb ik wel geleerd, daar had de vriend inderdaad gelijk in.
De vriend refereerde natuurlijk aan mijn psychiatrische diagnoses. Mijn huisarts heeft altijd een fascinatie gehad voor mijn schizofrenie. Hij vatte het ooit samen in de zinnen: "Soms moet ik mensen vertellen dat ze kanker hebben, dan zeggen ze dat hun eigen lijf ze in de steek heeft gelaten. Wat jij hebt, lijkt me hetzelfde, maar dan mentaal." De soberheid en hardheid van zijn altijd zorgvuldig gekozen woorden doet me vaak twijfelen aan of hij geen provocerende dichter had moeten worden. Ik denk dat hij dat best zou kunnen. Zijn uiterlijk heeft hij al mee, zelfs die dokterstas werkt wel.
Toen ik van de week weer bij de beste man op de stoel zat, na maanden van kwakkelen en een eerder doktersbezoek bij een plaatsvervangende huisarts, waarbij het werd afgeschreven als psychosomatisch, legde ik hem de lijst voor. De lijst met klachten van de meestal aanvalsgewijze misselijkheid, extreme duizeligheid, oorproblemen en tinnitus. De dokter luisterde, zoals hij altijd doet en sprak toen zijn sobere, weloverwogen woorden uit. Toen hij me vertelde dat hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon stellen dat het de ziekte is waar ik al zo bang voor was, werd het even zwart. Niet voor mijn ogen, maar van binnen. Mijn ziel werd een zwart, leeg geraamte waaruit alle hoop leek weg te sijpelen.
Zwartheid is te bestrijden met kleur. Hoe je iets moet inkleuren, hoe je kleur geeft aan een zwart leven, hangt af van je passies en je persoonlijkheid. Sommigen weten al van jongs af aan wat kleur geeft; kinderen die vanaf hun 4e levensjaar roepen dat ze astronaut willen worden, en dan de rest van hun nog jonge leven werken, knokken, om dat te bewerkstelligen. De posters van planeten en sterrenstelsels die hun kinderkamer sieren zijn een verzekering van die wens: dit is wat ik wil.
Austronaut worden is, naar ik meen, een lastige ambitie. Ik vrees dat veel van die ruimtevaarders in spe hun wens hebben moeten laten varen. Of misschien is dit specifieke beroep een slecht voorbeeld - er zijn er maar enkelen voor wie dit is weggelegd.
Ikzelf twijfelde vroeger aan mijn passie, aan mijn kleur. Mijn kamer hing vroeger vol met posters van paarden, en één van mijn kleurenopties was dat ik politie te paard te wilde worden. Inmiddels weet ik dat ik niet zo zeer bij de politie wilde, maar rondrijden op een paard zonder duidelijk doel of een duidelijke functie leek me, zelfs in mijn jonge leven, al een beetje zinloos.
Ook speelde ik accordeon en piano en zong ik graag. Muziek was ook een passie, maar muzikant worden, zoals de popsterren die ik addoreerde, leek me even onrealistisch als dat astronautenverhaal. Toen ik eenmaal op de middelbare school was aanbeland, besefte ik dat dat niet waar was; een astronaut is pas astronaut als hij zijn eerste ruimtereis maakt, een muzikante is een muzikante als zij een podium betreedt - hoe klein dat podium ook moge zijn.
Een lang verhaal kort: die paardenliefde vervaagde, en de liefde voor muziek groeide groter en groter. Toen ik op mijn 15e voor het eerst een echt optreden gaf op de HAVO, en niet meer op de voorspeelavonden van de muziekschool, wist ik het zeker. Ik word muzikante. Sindsdien is muziekmaken, met alle worstelingen en frustratie die dat met zich mee kan brengen, mijn kleur geweest. In de meest donkere dagen van mijn leven was het daar. Als een schilder met een klein penseel, zo gaf het, langzaam en secuur, mijn leven kleur.
De dokter vraagt me of het gaat. Ik schud mijn hoofd. Ménière. De ziekte van Ménière. Zo heet het muzikale doodvonnis wat de huisarts op de doorverwijzing naar KNO zet. Een chronische ziekte van het middenoor, wat naast de aanvallen op de lange termijn verantwoordelijk kan zijn voor permanente gehoorschade.
Zingen gaat al maanden niet zo goed. Ik kan niet pitchen en mijn eigen stem klinkt vervormd en dof. Het dragen van mijn geluidsdempende oordoppen lokt de aanvallen uit. Harde geluiden ook.
Mijn hoop ligt bij de rechter, de KNO-arts, die de enige is die het vonnis terug kan draaien. Die een andere, kleurrijkere ziekte kan vaststellen. Al zijn er niet heel veel opties, zo begreep ik. De wachttijd in het Martini Ziekenhuis staat op 55 dagen.
Ik weet niet wat ik voel. Ik weet niet wat ik behoor te voelen. Dus voel ik niets. Ondertussen probeer ik naar de jam in het centrum te gaan, moet ik na 20 minuten het pand verlaten, en krijg ik een minuut of 2 een van de heftigste huilbuien uit mijn leven. Daarna wordt het weer stil. Doodstil.
Ik neem me voor een poster van een paard te kopen. En van die glow in the dark plaksterren voor op mijn plafond. Ik word ruimtevaarder te paard.
Nieuwe, inktzwarte diagnoses. Veranderende ambities. Blijven knokken. Alles komt goed. Al weet ik soms even niet hoe.
