Vreemde vogels.

Voor de mensen die ik liefheb.


Een van de mooiste verhalen die ik ooit las is " Vogels kijken", van Bob den Uyl. Het eerste stuk in de verhalenbundel vertelt over het talent van het vinden. De hoofdpersoon -ik ben zijn naam vergeten- komt er op een goede dag achter dat hij een ongekend talent bezit, namelijk het spotten van zeer zeldzame vogels. De kleurrijke beestjes openbaren zich aan hem, als vanzelf, terwijl anderen ze met de grootst mogelijke moeite proberen te vinden maar de vogels zich verschuilen voor de verrekijkers van de spotters. De man bedenkt zich, terecht, dat als hij het verlangen zich te laten zien in vogels op kan roepen, hij het misschien ook met andere zaken kan. Een mooie gedachte. Talenten zijn er om te ontwikkelen. Menselijk als hij is, is de volgende gedachte; misschien is er geld mee te verdienen. Zijn talenten er ook om uit te buiten?


De man koopt bulten zooi op bij garageveilingen en kringloopwinkels, en inderdaad, zijn vind- vermogen beperkt zich niet alleen tot vogels. Hij vind dure, zeldzame schilderijen, prijzig antiek en andere prachtige vondsten. Hij wordt rijk, koopt een landgoed met imposante villa en wil daar gaan rentenieren, Hij heeft genoeg geld voor de rest van z'n leven, maar dan, ten midden van al dat materialistische, komt hij erachter dat hij geen vogels meer ziet. Althans, alleen nog musjes en koolmezen. De zeldzame en schuwe soorten laten zich niet meer zien. Ze verstoppen zich voor hem, zoals ze dat voor iedereen doen. Ondanks zijn rijkdom, is hij dus geworden zoals ieder mens. Standaard. Rijk, dat wel, maar buiten dat weinig bijzonder.


Het breekt hem op. Hij kan het niet verkroppen. De gedachte dat hij dat wat hem bijzonder maakte, mooier dan alle anderen, heeft verruild voor geld, drijft hem tot gekte. Hij verkoopt al z'n bezittingen, en trekt de wereld in, op zoek naar de vogels. De rest van z'n leven spendeert hij in stilte met verrekijker, de vogels smekend weer bij hem terug te komen.


Ik weet niet of ik het verhaal zo goed heb samengevat. Het is jaren geleden dat ik het las. Maar het is me zo bijgebleven. De magie van het dierenrijk, de herkenbare doch destructieve drang tot rijkdom, en het gevoel dat je verliest wanneer je het bereikt hebt. Ik win, en toch verlies ik. Ik heb alles, maar feitelijk heb ik niets. Ik ben zoals de rest.


Al schrijvende probeer ik te bedenken waarom dit verhaal mij zo aanspreekt. De eerste theorie die ik ontwikkel is dat ik het einde niet begrijp. Soms, zeker jaren geleden, toen ik dit verhaal voor het eerst las, kon ik zo verlangen naar "zijn zoals de rest". Hoe mooi zou het toen geweest zijn, als ik geen talenten, gaves en gektes, vloeken en zeges , had gehad. Gewoon een standaard jonge vrouw. Gooi daar een bult geld bovenop, en ik denk dat ik redelijk gelukkig was geweest. Content op z'n minst.


Aan de andere kant, en hier schrijven we in het nu, zijn onze talenten en beperkingen niet wat een mens een mens maakt? Ben ik niet ik omdat ik uitblink in bepaalde dingen, en tekortschiet in andere? Zou ik mijn gaven missen als ik ze niet meer had? Zou ik mijn tekortkomingen missen als ze ineens als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen? Ik denk het wel.


Na de intensieve trauma-behandelweek, die al weer 3 maanden geleden is afgerond, bespeur ik dit in mezelf. Niet constant, maar af en toe. Was mijn onvermogen om te gaan met mijn verleden niet alleen dat wat mij hinderde, maar ook dat wat mij vormde? Wie ben ik zonder de rugzak die ik al jaren met me meesleur? Wat blijft er over als ik heel, of heel ben? Wat ben ik dan wél, als ik niet de schizofreen of de PTSSer ben?


Ik ben een mens dat anderen nodig heeft. Wat voor sommigen vogels zijn, zijn voor mij mensen. Ik verzamel een bont collectief aan personen om me heen, de één nog kleurrijker dan de ander. Sommigen zijn net zo getekend door het leven als ik, en dat maakt ze zo mooi. Zo zeldzaam. De vogel die soms veel te druk is in haar hoofd. De vogel met te weinig veertjes. De vogel die fladdert en ook de vogel die het nest niet durft te verlaten, bang dat hij niet kan vliegen. Ik ken ze, en ik heb ze lief. Ik heb ze lief omdat ze zeldzaam zijn, en ervoor kiezen in mijn aanwezigheid te willen vertoeven. Ze laten zich aan me zien, en daar ben ik zo dankbaar voor, dat ik ook mijn eigen zeldzaamheden kan tonen. We zien elkaar, en dat is niet uit een voor-wat-hoort-wat-mentaliteit, maar vanuit een vanzelfsprekende wederkerigheid. Ik zie je, en jij mag mij zien.


Wij. Het bonte gezelschap vreemde vogels. We vliegen, vallen en fladderen weer op, douwen elkaar soms met de beste bedoelingen uit het nest. Kom op, je kan 't. Vliegen zul je. Ik geloof in jou. Wij geloven in jou.


Het is zo mooi hoe je er soms achterkomt dat je precies bent waar je moet zijn. Dat je je in een groep, een zwerm, bevindt waar je thuishoort. Dat je ineens beseft dat de wezens die je om je heen hebt, of dat nou vanuit vriendschap of familiaire ongebroken banden is, mensen of vogels, entiteiten zijn die het beste in je naar boven halen. We doen het samen. Vlieg maar, wij vangen je op als het nog niet lukt. En morgen proberen we het nog een keer.


Het vreemdste gevoel dat ik ooit ervaren heb, is het gevoel van geluk. Ik ben zo gewend geraakt aan het me matig voelen. Het kwakkel-syndroom. Het gaat-wel-idee. Ik moet wennen. Ik moet wennen aan het langzaam doorsijpelende gevoel dat ik op weg ben naar geluk. Gestaag. Zeker. Langzaam, maar precies in het juiste tempo.


Ik ben de schildpad in het Noorderplantsoen, die niet het water induikt als ze te dichtbij komen, de lieve doch vreemde vogels. Ik draai m'n koppie bij als ze een foto willen nemen. Ik ben de Krullevaar uit het meest gelezen kinderboek. Ik ben een zebra, die zich verstopt, soms, met al haar strepen. Ik ben een papegaai als het moet. Een kameleon als het van me verwacht wordt.


Maar bovenal ben ik een vogel. Een vreemde, maar daarom zeldzaam bijzonder.


Mijn zwerm leid ik. Kom lieverds, vandaag vlieg ík voorop. Volg me. We gaan.


En terwijl we over de huizen vliegen, zien we ze. De vogelspotters. De verrekijkers. En we fluisteren tegen elkaar;

Zie ons.

Wij zijn mooi.