Wind tegen.

"Het waait stevig", zeg ik, een korreltje Saharazand uit m'n ogen wrijvend. Ondertussen vraag ik me af waarom Saharazand nieuws is, in een wereld als de onze. "Ik háát de wind", zegt ze. Ik knik instemmend, maar vraag me met man en macht af hoe je in godsnaam een natuurverschijnsel kan haten. Een mens, oke. Een concept of een idee, allicht. Maar de wind? Ik houd van de wind, die de gedachten uit m'n hoofd blaast, bij voorkeur op een zandstrand.


Ik verdiep mij de laatste tijd in menselijkheid. En dan met name in het gevoelsleven van individuen. Waar de één van houdt, vindt de ander het een irritant verschijnsel. Dat de wind verschillende aanbidders/haters heeft is nog wel te bevatten, daar sommigen de tegenwind moeten trotseren op een gammele fiets, en anderen van zeilen houden. Tot zover snap ik het. Al is je gevoel bij het fenomeen zelf niet zozeer definieerbaar, het gaat om een vergemakkelijking of bemoeilijking van dagelijkse activiteiten. Het woord "haat" is daarom in mijn ogen wat ongenuanceerd gekozen in dit zinsverband. Een uitspraak als "Ik haat fietsen met tegenwind" is meer gepast. Misschien bedoelde ze dat ook wel, en hadden de biertjes die ik haar had zien drinken haar woordkeuze beïnvloedt.

Haat. Liefde. Verliefdheid. Het zijn emoties die we kennen, Feitelijk aangewakkerd door biochemische processen in ons hoofd, maar voelend als een ding van de ziel of het hart. "Ik haat je uit de grond van mijn hart". Klopt dat wel? Zijn alle gevoelsmatige processen niet gewoon aangewakkerd door het denken? Door de neurotransmitters die door onze hersenen vliegen, aanleggen en vuren? En daarbij; het hart van een mens is niet gemaakt om te haten. We haten niet met ons gevoel, we haten uit de grond van ons hoofd.

Het zijn boeiende gesprekken, die we veelal telefonisch voeren. Over hoe de mens werkt. Over hoe verliefdheid werkt. Over het verschil tussen biologie en natuur. Wanneer is iets vastgelegd in je DNA, en wanneer is het een natuurlijke gang van zaken, gevormd door opvoeding, cultuur, karakter.

Het raakt aan hoe ik mijn ziek worden vaak uitleg; ieder mens heeft een kwetsbaarheid. Bij de een is dat migraine, bij de ander longkanker, bij mij de psychosegevoeligheid. Deze "zwakte", deze achillespees, is vastgesteld in je genen. Zet het menswezen vervolgens onder genoeg druk of stress, en het zal breken op het zwakste punt. Als een houten lat knapt het doormidden, precies bij de noest, want daar was het hout het minst gehard.

Er gebeurt vanalles, ik houd het amper bij. Ik zie boodschappen van het universum aan voor toevalligheden en andersom. Data. Vallende fotolijstjes naast m'n bed met liefdes des levens. Ik hang ex-vriendje L. vervolgens op de koelkast met een magneet, naast vriendinnetjes en kaarten, een herhaalrecept antipsychotica, en verontschuldig mij hardop voor de degradatie. Maar het zijn stappen. Kleine en grote tegelijk. Niet blijven hangen in het verleden, Vooruit kijken. Tsja....


Het klinkt makkelijker dan dat het is. Ik vertel hem, half in de war, half ontiegelijk helder, dat mijn achterstallig onderhoud me zo nu en dan inhaalt. Wat natuurlijk een welbekend verschijnsel is. Mijn oude jaren 30 woning moet onder handen genomen worden door de huisbaas. Niet zozeer omdat ik dat wil, maar omdat schade groter wordt bij wachten. Repareren doe je meteen of snel, anders wordt het alleen maar erger. Duurder. Meer werk.


Ik maak me geen illusies. Ik wacht al m'n halve leven met die werkzaamheden. Dus het wordt een lange, pijnlijke en zware weg. Een weg waarin terugkijken vooruitgang biedt. Ik zeg het zelf zo vaak tegen mensen; 2 stapjes vooruit en 1 achteruit is ook vooruitgang. En toch voelt het alsof ik buiten die wetten val. Of beter; alsof ik achteruit loop. Ik kijk constant naar het einddoel voor me, maar mijn voeten stappen achterwaarts in plaats van voorwaarts. Een ongenaakbare aantrekkingskracht van het verleden. Terug moet ik.


Het voelt de laatste tijd alsof de wind draait. Alsof ik niet meer ploeter om vooruit te komen, me met alle kracht in m'n lijf verzettend tegen de tegenwind die me terug naar het verleden blaast. De wind draait, langzaam maar gestaag. Nog even en mijn pas zal vergemakkelijken door de ferme kracht van wind-in-de-rug. Ik kijk er oprecht naar uit.

Ondertussen heb ik mensen lief. En leer ik. Ik leer dat liefhebben niets is om te vrezen. Niets om verward van te raken. Ik heb je lief, uit de grond van mijn hoofd.

"Haat is een groot woord", zeg ik nog. Ze kijkt me indringend aan.

"Tering tyfus takke wind", mompelt ze, alvorens ze op haar fiets stapt en de nacht intrapt.

Ze heeft inderdaad wind tegen.