Zorgeloos.

"Op een gegeven moment zeg je ons ook vaarwel", zegt ze. Mijn oren klapperen. Zo goed gaat het toch nog niet? Ik zit in het kleine gebouwtje, vlakbij mijn oude huis waar de nieuwe bewoonster de tuin verwaarloost. Tegenover mij zit mijn hoofdbehandelaar, de nieuwe, die ik pas een aantal keren heb gezien. Ze is iel en klein. Soms stel ik me voor dat ze doorzichtig wordt. Ik blijf even stil. De gedachte dat ik ooit nog "zonder zorg" zou kunnen zijn, is nog nooit bij me opgekomen. Mijn eerste gevoel is angst.


De afgelopen week was een van de vreemdste uit mijn leven. De net-niet-transparante psycholoog had mij, in goed overleg, aangemeld voor een intensieve trauma behandelweek bij een zustervestiging in de stad. Vorige week maandag ben ik daar begonnen, en afgelopen vrijdag verliet ik dat gebouw met zóveel gevoelens in mijn wezen dat het vooral verwarrend werkte.


Ik heb het altijd al zo omschreven. Elk mens heeft een achillespees, en bij vrijwel elk mens is die giftige pijl niet te vermijden. Wij zijn gemaakt om te breken. Wáár je breekt, hangt af van je genen. Heeft je DNA je een gevoeligheid voor migraine gegeven, dan zal je, onder genoeg stress, de helse hoofdpijnen ontwikkelen. Kanker zit in de familie. Mijn vader was ook altijd depressief. M'n zus is alcoholist. We zijn genetisch verbonden met elkaar, kijken naar de ziekelijke stamboom heeft dus zin. We breken op het vlak waar onze genen het zwakste zijn.


Bij mij was dat dus de psychose. Gekregen van oma S., als een teleurstellend cadeautje onder de kerstboom. Het zat al in me vanaf de dag dat ik verwekt werd. Sluimerend. mijn ziekte was een waakvlam, die wachtte op ontsteking.


Iemand zei laatst tegen me; "jij bent niet ziek geboren, jij bent ziek gemaakt". Die zin herbergt zowel een ijzersterke waarheid, als een belachelijke ideefixe. Het is allebei waar. Mijn kwetsbaarheid was de schizofrenie, die ik in beginselen meekreeg als baby. Dat de ziekte zich ontwikkelde is, inderdaad, de schuld van mijn leven en de dingen die ik daarin trof.


We herbergen allemaal trauma's. Ik leerde al jaren geleden, van mijn toenmalige beste vriendin, dat je daar vooral niet subjectief naar moet kijken. We woonden samen tijdens onze studies, en soms kwam ze huilend bij me in bed gekropen met verhalen over haar moeilijkheden en onzekerheid. Ik hield haar dan stevig vast terwijl haar tranen in mijn nek biggelden. Na een kwartiertje zei ze steevast "maar zo erg is het niet". Ze was een meester in het bagateliseren van haar eigen pijn. Vaak vervolgde ze met "jij hebt het zoveel zwaarder". Soms voelde dat voor mij als een lang uitgestelde bevestiging van mijn lijden, soms werd ik woest omdat ze zichzelf tekort deed. Alsof haar eigen pijn minder belangrijk of terecht was dan de mijne. De vriendschap eindigde, ironisch genoeg, omdat ze mijn lijden niet begreep en bovenal niet kon accepteren dat het me veranderde.


Mijn medecliënten van de afgelopen week waren allemaal jonger dan ik ben. Stukken jonger. Toen ik tijdens de sporttherapie mijn mouwen opstroopte zag ik de schrik in hun ogen bij het aanschouwen van mijn littekens. De ontregeling die er bij mij had plaatsgevonden was onherkenbaar, haast angstaanjagend. Ze hadden allemaal een baan of studeerden. Ze spraken over liefde, en het gebrek daaraan.


Ik verkeer niet in de veronderstelling dat ik meer ontregelde omdat mijn trauma's erger zijn. Mijn ontregeling was heftiger doordat ik die verwoestende ziekte in me droeg. Omdat het beginsel van de gekte in me woonde, ver voordat het zich ontwikkelde. Domme, botte, genetische pech dus.


We hebben de week allemaal afgemaakt. Het stoerste zestal van Groningen.


Ik kijk haar nog eens aan, de psycholoog, mezelf inbeeldend dat ik dwars door haar heen naar buiten tuur, waar het alweer begint te regenen. Ik merk dat ik moe ben. Moe van afgelopen week. Moe van een onverstandig druk weekend. Moe van in zorg zijn. In zorgen zijn. Moe van het stof dat in alle delen van mijn lijf en hoofd is opgeschud en ronddwarrelt. Ik wacht totdat het neerdaalt. En ik hoop dat het neerdaalt op de juiste plekken. Ik vraag me af wie ik aan het worden ben. Ik vraag me af of ze gelijk heeft. De dunne, kleine vrouw die tegenover me zit. Ook zij kijkt behoorlijk door mij heen, vermoed ik.


Op weg naar huis, weer lopend langs mijn oude vlinderstruik die ze godverdomme niet gesnoeid heeft in de herfst - het ziet er treurig uit -, bedenk ik me dat ik er nog niet klaar voor ben. Ik ben er nog niet klaar voor om mezelf "beter" te verklaren. Ik zweef eigenlijk tussen gekte en herstel. Ik laveer tussen vallen en opstaan.


Ik ben mens. Een mens met een verleden en een kwetsbaarheid. Ik ben een mens met een achillespees. Een mens dat onvermijdelijk brak. Maar ook; een mens dat aanspraak doet op het zelfhelende vermogen van onze soort. Een mens dat wil. Ik wil.


Willen en kunnen zijn twee verschillende dingen, zeggen ze wel eens.


Ik zou graag zorgeloos leven. Zorgelozer in ieder geval. Leven zonder zorgen. Wellicht, inderdaad, zonder zorg.


Ik bereid me voor op de toekomst.